Verdiepingsvloer: zwevend
Zwevende vloer op steenachtige draagvoer
Het aanbrengen van een zwevende vloer met houtachtig loopvlak, op een steenachtige draagvloer, is een relatief eenvoudige klus die het akoestisch binnencomfort van een woning aanzienlijk kan verbeteren.
De draagvloer dient droog en vlak te zijn. Kleine plaatselijke reliëfverschillen kunnen probleemloos door de isolatie worden opgevangen.
Een uitvlaklaag is daarentegen nodig:
- Wanneer de ondergrond relatief grote reliëfverschillen heeft;
- Wanneer horizontale leidingen, bestaand of nieuw te leggen, in de vloer moeten worden verwerkt. Aangeraden wordt om deze niet in de isolatielaag zelf te voorzien, deze dient zo homogeen mogelijk te blijven voor een geluidtechnisch optimaal resultaat.
De uitvlaklaag kan worden aangebracht met zelfnivellerende mortel. Vanzelfsprekend dient deze voldoende droog te zijn alvorens de verdere werkzaamheden worden uitgevoerd.
Zwevende vloer op houten balken
Het aanbrengen van een zwevende vloer op de bestaande houten balklaag verhoogt het akoestisch binnencomfort van een woning. Behalve een betere isolatie van het luchtgeluid (stemmen, muziek, etc.), wordt demping van contactgeluid bewerkstelligd.
Voetstappen of verschuiven van stoelen in de bovenliggende ruimte worden veel minder hoorbaar. Voor een nog optimalere demping van lucht- en contactgeluid of voor extra thermische isolatie, is een combinatie mogelijk met isolatie tussen de houten balken.
Vloersteunplaat
Als ondersteuningsvlak voor de isolatielaag, wordt over de houten balken een vloersteunplaat aangebracht. Dit kan met houtachtig materiaal (multiplex, OSB) van minstens 12 mm dikte (voor balkafstanden h.o.h. groter dan 500 mm, minstens 18 mm) of met 18 mm vezelcementplaat. De vloersteunplaten worden op de houten balken geschroefd.
Platen met rechte randen worden zodanig gelegd dat de randen steeds samenvallen met een balk. Bij tand- en groefverbindingen is dit niet nodig, op voorwaarde dat de verbinding voldoende verticale stevigheid biedt. Moeten kabels of leidingen horizontaal in de vloer, dan worden deze tussen de houten balken aangebracht alvorens de vloersteunplaat te plaatsen.
Verwerking van de isolatie
De isolatie wordt “zwevend” geplaatst. Dit wil zeggen dat ze een permanent ondersteuningsvlak vormt voor de dekvloer, de vloerafwerking en de gebruiksbelasting. Er zijn geen mechanische verbindingen tussen dekvloer en vloersteunplaat of draagvloer. Komt er een droge dekvloer (houtachtig, gipsvezelplaten, vezelcementplaten), dan wordt geïsoleerd met Rockwool Zwevende VloerPlaat 504. Aangewezen diktes zijn 30 tot 50 mm. Zwevende VloerPlaat 504 dempt niet alleen contactgeluid, maar heeft tevens een hoge mechanische stevigheid om, behalve de vloer- en gebruikslast, ook de mogelijke randvervormingen van het houten dekvloervlak op te vangen.
Steenachtige dekvloeren worden geïsoleerd met Rockwool Zwevende VloerPlaat 501. De aangewezen diktes zijn 20 tot 30 mm. Dit isolatieplaattype heeft een optimaal dynamisch gedrag, met een zeer grote verbetering van contactgeluidsisolatie tot gevolg. Is om thermische reden een grotere dikte gewenst, of worden zeer hoge vloerbelastingen voorzien, dan wordt gekozen voor Zwevende VloerPlaat 504. Alvorens de isolatieplaten te leggen, dienen de vloersteunplaten of de draagvloer vrij te zijn van oneffenheden. Eventuele kabels of leidingen dienen tussen de balken te zitten of in de draagvloer te worden verwerkt.
Zonodig dienen deze in een egalisatielaag te worden weggewerkt. De isolatie wordt in halfsteens verband, zonder enige mechanische bevestiging, op de vloersteunplaten gelegd. Inkorten of versmallen van passtukken kan eenvoudig met een (Rockwool)mes. U hoeft geen overbreedte van de isolatie in rekening te nemen bij het snijden. Wel dient u alle platen en passtukken onderling goed aansluitend te leggen.
Aanbevolen wordt om achter in de ruimte te beginnen en vervolgens naar de deur toe te werken. Zo voorkomt u dat u herhaaldelijk over de reeds geplaatste isolatie heen moet lopen. Voor eventuele verticale leidingen, worden de isolatiepasstukken zodanig gesneden dat de doorvoer goed aansluit in de isolatielaag.
Afwerking
Dekvloer
Een droge dekvloer kan worden uitgevoerd met houtachtige platen (multiplex, OSB, etc.)of met platen van vezelcement of gipsvezelplaten.
De droge dekvloer wordt bij voorkeur gelegd in twee lagen (dikte afhankelijk van toegepast materiaal), met naadoverlappend legpatroon teneinde lijnbelastingen op de isolatie te vermijden. Om werkelijk overal overlapping van de naden te realiseren, wordt de tweede laag gezaagd op halve breedte en wordt de eerste plaat hiervan ook op halve lengte gezaagd. De tweede dekvloerlaag wordt vastgeschroefd aan de eerste laag. De schroeven zijn niet langer dan nodig om beide lagen te verbinden. Perforatie van de isolatielaag moet worden vermeden. Het is ook mogelijk om de dekvloer in één laag te leggen (bijvoorbeeld met 18 millimeter hout) met een stevige tand- en groefverbinding die de verticale krachten kan opvangen en geen lijnlast veroorzaakt. Een toepassing van twee lagen is te allen tijde de beste oplossing.
Komt er een steenachtige dekvloer (anhydriet of zandcement), dan moet eerst worden nagegaan of de bestaande draagvloer voldoende sterk is. Elke centimeter dekvloerdikte betekent circa 20 kg/m² extra gewicht.
De dekvloer wordt NIET tegen de aangrenzende muren gelegd om “hard” contact te vermijden. Hard contact zou het contactgeluiddempend effect van de vloer grotendeels teniet doen. Alvorens de dekvloerplaten te leggen, worden daarom eerst flexibele (polyethyleen) kantstroken tegen de muren aangebracht. Een andere mogelijkheid is dunne kantstroken te snijden uit de Rockwool isolatieplaten. De kantstrook is minstens zo hoog als de dikte van de dekvloer plus de afwerking. De kantstroken worden ook rond eventuele verticale leidingdoorvoeren aangebracht.
Vloerafwerking en plinten
Wordt op de dekvloer een relatief harde afwerking aangebracht (hout, steenachtig, etc.) dan geldt, net als voor de dekvloer zelf, dat hard contact met de muren moet worden vermeden. Hiervoor wordt voor het leggen van de dekvloer een voldoende hoge kantstrook aangebracht. Voor een vloerbedekking van tapijt is deze voorzorg niet noodzakelijk.
Plinten worden tegen het muurvlak bevestigd, enkele millimeters boven de vloerafwerking. De voeg wordt opgespoten met een soepel en waterdicht materiaal. Ook deze plaatsingswijze is noodzakelijk om overdracht van contactgeluid vloer -muur via de plinten te beperken.

Français