Warmteweerstand van luchtlagen
In de voorbeeldberekening van de RT-waarde is aangegeven dat de vertikale spouw niet geventileerd is. EN ISO 6946 specifiëert dat een niet-geventileerde vertikale spouw openingen heeft (bijvoorbeeld open stootvoegen) die kleiner zijn dan 500 mm2 per m1 horizontale lengte van het constructiedeel. De spouwweerstand mag dan uit onderstaande tabel afgeleid worden. Voor horizontale spouwen is het criterium 500 mm² per m² oppervlakte van het constructiedeel.
Als de openingen groter zijn dan 500, maar kleiner dan 1500 mm2 per m1 horizontale lengte van het constructiedeel, dan wordt de spouw aanzien als een zwak geventileerde luchtlaag. Voor horizontale spouwen geldt hetzelfde criterium maar per m² oppervlakte van het constructiedeel. In dit geval wordt de spouwweerstand gehalveerd tegenover de niet-geventileerde situatie. Als de weerstand van de lagen tussen de spouw en de buitenomgeving groter is dan 0,15 m2.K/W, dan moet de ingerekende weerstand van deze lagen beperkt worden tot 0,15 m2.K/W.
Als de openingen nog groter zijn, wordt de spouw beschouwd als een sterk geventileerde luchtlaag. In dit geval moeten de warmteweerstanden van alle lagen tussen de spouw en de buitenomgeving verwaarloosd worden en wordt als buiten-overgangsweerstand Rse dezelfde waarde als Rsi gesteld.
Dikte van de | Warmteweerstand niet-geventileerde luchtlagen volgens NBN EN ISO 6946 in m2.K/W | ||
| Richting van de warmtebron | |||
| Omhoog | Horizontaal | Omlaag | |
| 0 | 0,00 | 0,00 | 0,00 |
| 5 | 0,11 | 0,11 | 0,11 |
| 7 | 0,13 | 0,13 | 0,13 |
| 10 | 0,15 | 0,15 | 0,15 |
| 15 | 0,16 | 0,17 | 0,17 |
| 25 | 0,16 | 0,18 | 0,19 |
| 50 | 0,16 | 0,18 | 0,21 |
| 100 | 0,16 | 0,18 | 0,22 |
| 300 | 0,16 | 0,18 | 0,23 |
| Tussenliggende waarden kunnen worden verkregen door lineaire interpolatie | |||

Français